Voorwoord Raad van Bestuur NPO

Met de Governancecode Publieke Omroep 2018 geeft de Raad van Bestuur van de NPO uitvoering aan de opdracht in artikel 2.3, tweede lid, van de Mediawet 2008, om een gedragscode vast te stellen ter bevordering van goed bestuur en integriteit bij de NPO en de landelijke publieke media-instellingen. Dit in het kader van het behartigen van zaken die van gemeenschappelijk belang zijn voor de landelijke publieke mediadienst en de landelijke publieke media-instellingen, zoals bedoeld in artikel 2.2, tweede lid, aanhef en onder f, van de Mediawet 2008.

Op grond van de Mediawet 2008 hebben de stichting NPO enerzijds en de landelijke publieke media-instellingen anderzijds formeel verschillende taken en bevoegdheden. Die verschillen doen er echter niet aan af dat deze Code onverkort van toepassing is op zowel de stichting NPO als de landelijke publieke media-instellingen. De Raad van Bestuur van de NPO is zich bewust van deze verschillen in taken en bevoegdheden en laat daarom het toezicht op de naleving van de Code over aan de onafhankelijke Commissie ter bevordering van goed bestuur en integriteit publieke omroep (‘CIPO’). Wel kan de Raad van Bestuur van de NPO, als het toezicht op en de naleving van deze Code door het bestuur en de raad van toezicht van de media-instellingen tekort schiet, gebruik maken van zijn wettelijke bevoegdheden als bedoeld in artikel 2.154 van de Mediawet 2008 (inhouding op vastgestelde bedragen).

Het is de derde gedragscode die de Raad van Bestuur vaststelt. De eerste trad in werking op 1 januari 2006, de tweede op 1 januari 2012. Periodieke herziening is noodzakelijk om wijzigingen in wet- en regelgeving in de Code te kunnen verwerken. Verder heeft het denken over en de praktijk van goed bestuur en toezicht zich de laatste jaren in alle sectoren sterk ontwikkeld. We zien het belang van het creëren van een organisatiecultuur die onafhankelijkheid en integriteit borgt. Daarnaast hebben zich binnen de landelijke publieke omroep sinds de vorige herziening veel wijzigingen voorgedaan, onder meer door fusie en samenwerking en toe- en uittreding, als gevolg van de erkenningsperiode 2016-2020. Daarbij kwamen via de Governancetoets van CIPO veel aspecten aan de orde die in de nieuwe Code zijn verwerkt, net als andere ervaringen en adviezen van de toenmalige commissie. De compliance-officers van de mediaorganisaties hebben hierbij, als ambassadeurs van de Code en aanspreekpunt voor CIPO, een belangrijke rol gespeeld.

De Governancecode Publieke Omroep 2018 is door de Raad van Bestuur vastgesteld op 19-12-2017 en treedt in werking op 01-01-2018. Regeling C (Beloningskader; ‘BPPO’) is reeds (gewijzigd en opnieuw) vastgesteld op 3 oktober 2017 en in werking getreden per 5 oktober 2017.

De Principes 1, 2, 6 en 7 en de Regelingen A (Melden vermoedens van misstanden) en B (CIPO) zijn op grond van het bepaalde in artikel 2.3, tweede lid, van de Mediawet 2008, juncto artikel 2.10, tweede lid, aanhef en onder c, en artikel 2.60, eerste lid, bindend vastgesteld voor de landelijke publieke media-instellingen. De bepalingen ter uitwerking van deze Principes zijn daarbij vastgesteld onder het beginsel “pas toe of leg uit”.

De Principes 3, 4 en 5, en de bepalingen ter uitwerking daarvan, zijn vastgesteld als aanbeveling, die op grond van artikel 2.142a, tweede lid, van de Mediawet 2008, zoveel als mogelijk moeten worden gevolgd.

De raad van bestuur zal na een periode van twee jaren de effectiviteit van de Governancecode evalueren en waar nodig actualiseren. Bij de vaststelling van de Governancecode Publieke Omroep 2018 is tevens rekening gehouden met de Beleidsregels Governance en Interne Beheersing 2017 van het Commissariaat voor de Media, zoals deze op 26 september 2017 zijn vastgesteld.
Zowel het Commissariaat als de Raad van Bestuur hebben er naar gestreefd dat tussen de Governancecode en de Beleidsregels geen tegenstrijdigheden bestaan, zonder dat daarbij afbreuk is gedaan aan ieders zelfstandige taak en bevoegdheden krachtens de Mediawet op het onderhavige terrein.

Shula Rijxman

Voorzitter Raad van Bestuur NPO

Inleiding

De NPO vindt het van belang om goed bestuur en intern toezicht zelf te organiseren en te actualiseren. Of het nu gaat om de privaatrechtelijke verenigingen, de taakomroepen of het sturings- en samenwerkingsorgaan; het zijn allemaal maatschappelijke organisaties. Ze worden immers voor een groot deel uit algemene middelen gefinancierd en hebben een wettelijke taakopdracht. Zij zijn zich bewust van hun verantwoordelijkheid om die opdracht goed uit te voeren en om daarover verantwoording af te leggen aan de Nederlandse samenleving.

Het Nederlandse publieke omroepbestel is opgebouwd uit organisaties die van elkaar verschillen in omvang, rechtsvorm, signatuur, doelgroep, taakopdracht en historie. Zij worden verbonden door hun gezamenlijke streven naar het maken van inspirerende programma’s op radio, televisie en internet. Deskundig en helder bestuur en de beschikbaarheid van goed toezicht daarop, dragen bij aan de realisatie daarvan. Goed bestuur en toezicht zijn voorwaarden voor het goed functioneren van de omroepen en daarmee van het bestel als geheel.

Voor de publieke omroep bestaat een uitgebreid wettelijk kader. In de Mediawet 2008 zijn ook bepalingen over de inrichting van bestuur en toezicht opgenomen, naast de opdracht aan de NPO om een gedragscode voor de landelijke publieke omroepen vast te stellen. Een code voor de publieke omroep bestaat sinds 2006. Het wettelijk kader voorziet in extern toezicht op de mediaorganisaties en op de naleving van de bepalingen over governance door het Commissariaat voor de Media. Extern toezicht hoort bij een onafhankelijke en met publieke middelen gefinancierde publieke omroep, als waarborg voor onafhankelijkheid en rechtmatigheid. De eigen gedragscode diept aspecten van governance uit en geeft antwoord op vragen waarmee bestuurders, leden van een RvT en andere omroepmedewerkers te maken kunnen krijgen.

De reikwijdte van de code neemt verder toe doordat mediaorganisaties in overeenkomsten met opdrachtnemers een bepaling opnemen waardoor opdrachtnemers zich conformeren aan de Principes van de Gedragscode.

De code is opgebouwd rond zeven Principes, die zijn uitgewerkt in bepalingen. De Principes vullen elkaar aan en moeten in samenhang worden toegepast. De Principes en bepalingen zijn leidend en niet vrijblijvend, maar de wijze van implementatie en uitvoering is aan iedere media-instelling afzonderlijk nu het immers ook zelfregulering betreft. Naleving van (delen van) de code is gebaseerd op het ‘pas toe of leg uit’-beginsel. Anders dan wetgeving biedt de code enige flexibiliteit, omdat deze, in uitzonderlijke gevallen, ruimte geeft om af te wijken van bepalingen.

Van bindende Principes kan vanzelfsprekend niet worden afgeweken. Het bestuur en de raad van toezicht leggen in ieder geval in het jaarverslag verantwoording af over de naleving van de code en voorzien eventuele afwijkingen van bepalingen van een deugdelijke inhoudelijke en inzichtelijke uitleg.

De Governancecode Publieke Omroep is een vorm van -in de wet verankerde- zelfregulering. Daarmee kan snel en adequaat worden ingespeeld op actuele situaties. In de verhouding tot het externe toezicht door het Commissariaat voor de Media moet tot uiting komen dat de publieke omroep de gelegenheid krijgt zich de eigenaar van de code en het systeem van zelfregulering te tonen en om de verantwoordelijkheden die daaruit voortvloeien, ten volle te nemen.

Dat het de bedoeling van de wetgever is te appelleren aan het zelfregulerend vermogen van de publieke omroep, en dat het daarbij ook de bedoeling is dat het toezicht op de naleving binnen de publieke omroep plaatsvindt, is nadrukkelijk aan de orde gekomen bij de behandeling van het wetsvoorstel waarmee het tot stand brengen van een gedragscode, inclusief het organiseren van toezicht daarop, als taak bij de NPO is belegd (TK 2004-2005, 29.991, nr. 7. p. 3). Idealiter vormt het externe toezicht een verzekering van het adequaat functioneren van de landelijke publieke omroep en op het systeem van zelfregulering als geheel.

Overzicht Principes en Regelingen

Governancecode Publieke Omroep 2018

Principe 1 – Cultuur (Bindend)

Het bestuur creëert een cultuur die bijdraagt aan de onafhankelijkheid en integriteit van de mediaorganisatie en die erop is gericht de publieke mediaopdracht te vervullen, ook op de lange termijn.

1.1

Het bestuur stimuleert gedrag dat bijdraagt aan de onafhankelijkheid en integriteit van de mediaorganisatie en op het duurzaam kunnen vervullen van de publieke mediaopdracht overeenkomstig de toepasselijke wet- en regelgeving. Het bestuur doet dit mede door het tonen van voorbeeldgedrag. (Zie ook 6.3: Leiderschap en voorbeeldgedrag.)

Bij het creëren van de gewenste cultuur en het stimuleren van daarbij passend gedrag, worden in ieder geval betrokken:

  1. de omgeving waarin de mediaorganisatie opereert;
  2. deze Governancecode;
  3. de strategie voor uitvoering van de wettelijke taakopdracht en het daarbij passende bedrijfsmodel;
  4. de bestaande cultuur binnen de mediaorganisatie en of het gewenst is daarin wijzigingen aan te brengen.

Principe 2 – Integer handelen (Bindend)

Voorzitter en leden van zowel het bestuur als de raad van toezicht en overige medewerkers van de mediaorganisatie handelen integer. Door openheid en aanspreekbaarheid voorkomen zij dat hun persoonlijke belangen met die van de mediaorganisatie verstrengeld raken.

-Inleiding

De uitwerking van dit Principe geeft mediaorganisaties en medewerkers houvast bij de beoordeling van integriteitskwesties. Integer handelen van medewerkers is een voorwaarde om het goed functioneren en de kwaliteit te kunnen waarborgen van zowel een mediaorganisatie als de met gemeenschapsgeld gefinancierde landelijke publieke mediadienst als geheel. Integer handelen kenmerkt zich door betrouwbaarheid, dienstbaarheid, functionaliteit, onafhankelijkheid, openheid en zorgvuldigheid.

Een afvinkcultuur is geen garantie voor succes van integriteitsbeleid. Er moet groot belang worden gehecht aan het realiseren van een organisatiecultuur waarin open wordt gesproken over normen en waarden. Daarbij is het uitgangspunt dat elke medewerker integer handelt.

Het bestuur is verantwoordelijk voor het vastleggen van de wijze waarop wordt omgegaan met belangenverstrengeling. In dat verband wordt vastgelegd wat in elk geval onder belangenverstrengeling wordt verstaan, hoe besluitvorming hierover plaatsvindt en op welke wijze met nevenfuncties wordt omgegaan. De raad van toezicht houdt hierop toezicht.

Om belanghebbenden over specifieke aspecten van integriteit te informeren, houdt een mediaorganisatie actuele registers bij met de

  • financiële belangen en beleggingen (zie 2.3);
  • nevenfuncties (zie 2.10);
  • ontvangen en gegeven geschenken (zie 2.21).

2.1Compliance officer

Elke mediaorganisatie heeft een compliance officer. Deze is goed op de hoogte van de organisatiecultuur en biedt medewerkers advies en ondersteuning. Ook is hij een voor de hand liggend aanspreekpunt voor CIPO. De compliance officer bevordert een integere bedrijfsvoering, met een focus op gedrag en cultuur, waarbij de vraag centraal staat of gedragingen van de organisatie leiden tot maatschappelijk ongewenst gedrag. Verder bevordert hij de naleving van wet- en regelgeving. Hij is voor deze taken adviseur van het bestuur en de raad van toezicht, maar is ten opzichte van deze organen onafhankelijk. Binnen de mediaorganisatie is hij nauw betrokken bij de communicatie over de bevordering van een integere bedrijfsvoering.

-Financiële belangen en beleggingen

2.2

Medewerkers of hun partners hebben geen financiële belangen of beleggingen in sectorgerelateerde ondernemingen of in bedrijven waarmee de mediaorganisatie een zakelijke verhouding heeft, tenzij hiervoor schriftelijke toestemming van de mediaorganisatie is verkregen. Medewerkers melden hun belangen of beleggingen binnen de mediaorganisatie als volgt:

  • De leden en de voorzitter van het bestuur, de leden van de RvT en de compliance officer melden bij de voorzitter van de RvT (de voorzitter van de RvT kan toestemming geven);
  • De voorzitter van de RvT meldt bij de vicevoorzitter van de RvT (de vicevoorzitter van de RvT kan toestemming geven);
  • Overige medewerkers melden bij de compliance officer (de voorzitter van het bestuur kan toestemming geven).

2.3

Toegestane financiële belangen of beleggingen van topfunctionarissen in sectorgerelateerde ondernemingen of in bedrijven waarmee de mediaorganisatie een zakelijke verhouding heeft, worden via een register openbaar gemaakt. Daarin worden ook de aard en de ingangsdatum van het belang of de belegging vermeld. Het register is in ieder geval openbaar via de internetsite van de mediaorganisatie.

2.4

Uitgangspunt is dat een medewerker die familie- of vriendschapsbetrekkingen of op een andere manier persoonlijke betrekkingen heeft met een aanbieder van diensten of zaken aan de mediaorganisatie, zich onthoudt van besluitvorming over de opdracht met betrekking tot die diensten of zaken.

-Inkoop en aanbesteding

2.5

Als een mediaorganisatie producten of diensten wil afnemen waarvoor de wettelijke aanbestedingsregels niet gelden, moet hij bij tenminste drie organisaties/bedrijven een offerte aanvragen als het met de opdracht gemoeide bedrag hoger is dan € 50.000,-. Deze bepaling is niet van toepassing als het gaat om een opdracht voor het maken van media-aanbod ter uitvoering van de publieke mediaopdracht.

-Nevenfuncties

2.6

Een medewerker vervult geen nevenfuncties die naar hun aard of tijdsbeslag strijdig zijn met het belang van de mediaorganisatie.

2.7

Een medewerker die een nevenfunctie wil vervullen die niet voortvloeit uit zijn hoofdfunctie, bespreekt dit voornemen binnen de mediaorganisatie met de leidinggevende. De compliance officer kan hierover advies gevraagd worden.

2.8

De kosten die een medewerker maakt in verband met een nevenfunctie die voortvloeit uit zijn hoofdfunctie (‘q.q.-nevenfunctie’), kunnen alleen worden vergoed door de organisatie waar de nevenfunctie wordt uitgeoefend.

2.9

Een medewerker ontvangt of behoudt geen inkomsten -in welke vorm dan ook- voor werkzaamheden verricht in een nevenfunctie die voortvloeit uit zijn hoofdfunctie, afgezien van de vergoeding zoals beschreven in 2.8.

Eventuele andere inkomsten dan de vergoeding voor gemaakte onkosten, worden in de kas van de mediaorganisatie gestort en door de mediaorganisatie openbaar gemaakt.

2.10

Een mediaorganisatie maakt via een register in elk geval de nevenfuncties openbaar van de topfunctionarissen en belangrijke journalistieke functionarissen, waaronder de q.q.-nevenfuncties. Daarbij wordt per functie vermeld of er een vergoeding voor wordt ontvangen. Het register is in ieder geval openbaar via de internetsite van de mediaorganisatie.

2.11

Een mediaorganisatie zorgt ervoor dat een medewerker geen nevenfuncties verricht, direct of indirect, bij een lokale, regionale, dan wel landelijke media-instelling of de NPO, indien dit ertoe leidt dat zijn beloning daarmee boven de BPPO-norm uitstijgt. Hetzelfde geldt voor medewerkers die met inachtneming van eerder gegeven toestemming van de raad van bestuur van de NPO reeds boven de norm worden beloond. De medewerker verklaart in de betrokken overeenkomst(en) dat hij op deze wijze de van toepassing zijnde BPPO-norm niet overschrijdt.

-Bedrijfsgegevens

2.12

Een medewerker gaat zorgvuldig en discreet om met data en overige informatie waarover hij op grond van zijn medewerkerschap beschikt en doet hierover aan derden geen mededelingen.

-Geschenken, uitnodigingen en andere voordelen ontvangen

2.13

Medewerkers accepteren geen geschenken, uitnodigingen of andere voordelen van derden om in het kader van hun functie iets te doen of te laten.

2.14

Uitganspunt is dat geschenken of andere voordelen met een waarde van meer dan € 50,- niet worden geaccepteerd. In het incidentele geval waarin het niet accepteren van een geschenk of ander voordeel met een waarde van meer dan € 50,- ongepast zou zijn, is voor het accepteren ervan de voorafgaande schriftelijke toestemming van het bestuur van de mediaorganisatie vereist.

In geval van een dergelijk geschenk of ander voordeel aangeboden aan het bestuur, kan de RvT die toestemming verlenen.

2.15

Het ontvangen van geschenken of andere voordelen mag uitsluitend op het adres van de mediaorganisatie plaatsvinden.

2.16

Medewerkers aanvaarden uitnodigingen van derden voor onder meer maaltijden, evenementen, werkbezoeken en reizen slechts onder de volgende voorwaarden:

  1. Aanvaarding van de uitnodiging mag eerst na voorafgaande schriftelijke toestemming van de leidinggevende. De compliance officer kan hierover advies gevraagd worden; en
  2. Er is geen lopend of aanstaand onderhandelingstraject of aanbestedingstraject waarin de uitnodigende partij is betrokken; en
  3. Er is geen risico dat aanvaarding van de uitnodiging op enige wijze negatieve publiciteit voor de mediaorganisatie teweeg zou kunnen brengen; en
  4. Aanvaarding van de uitnodiging is goed voor het professionele netwerk van de medewerker en de mediaorganisatie; en
  5. De uitnodiging past in het normale relatiebeheer van de uitnodigende partij; en
  6. De waarde van de uitnodiging is niet buitensporig.

Voor het aanvaarden van een uitnodiging die ook de partner, de huisgenoot of een familielid van een medewerker betreft, dient de voorafgaande en afzonderlijke schriftelijke toestemming te worden verkregen van de leidinggevende. De compliance officer kan hierover advies gevraagd worden.

-Geschenken, uitnodigingen en andere voordelen geven

2.17

Medewerkers geven geen geschenken, uitnodigingen of andere voordelen aan derden in het kader van hun functie met het oogmerk die derden iets te laten doen of nalaten.

2.18

Uitgangspunt is dat het aanbieden van geschenken of andere voordelen alleen mag geschieden tot een waarde van maximaal € 50,- en slechts in het kader van het gangbare relatiebeheer van de mediaorganisatie.

2.19

Het aanbieden van het geschenk of voordeel mag uitsluitend op het zakelijk adres van de ontvanger plaatsvinden.

2.20

Uitnodigingen aan derden voor onder meer maaltijden, evenementen, werkbezoeken en reizen slechts worden gedaan onder de volgende voorwaarden:

  1. Aanbieden van de uitnodiging mag eerst na voorafgaande schriftelijke toestemming van de leidinggevende. De compliance officer kan hierover advies gevraagd worden; en
  2. Er is geen lopend of aanstaand onderhandelingstraject of aanbestedingstraject waarin de ontvangende partij is betrokken; en
  3. Er is geen risico dat de uitnodiging op enige wijze negatieve publiciteit voor de mediaorganisatie teweeg zou kunnen brengen; en
  4. Aanbieden van de uitnodiging is goed voor het professionele netwerk van de medewerker en de mediaorganisatie; en
  5. De uitnodiging past in het normale relatiebeheer van de mediaorganisatie; en
  6. De waarde van de uitnodiging is niet buitensporig.

Voor het doen van een uitnodiging die ook de partner, de huisgenoot of een familielid van de ontvanger betreft, dient de voorafgaande en afzonderlijke schriftelijke toestemming van de leidinggevende verkregen te worden. De compliance officer kan hierover advies worden gevraagd.

2.22

Medewerkers krijgen uitgaven voor o.a. lunches, diners, excursies, evenementen en reizen uitsluitend vergoed als de hoogte en de functionaliteit ervan worden aangetoond.

-Geschenken, uitnodigingen en andere voordelen publiceren

2.21

De ontvangen en gegeven geschenken, uitnodigingen en andere voordelen met een waarde van meer dan € 50,- worden via een register openbaar gemaakt. Het register is in ieder geval openbaar via de internetsite van de mediaorganisatie.

-Declaraties

2.23

Ter bepaling van de functionaliteit van uitgaven worden als criteria gehanteerd:

  1. De uitgave is in het belang van de mediaorganisatie; en
  2. De uitgave vloeit voort uit de functie.

2.24

Kosten worden zoveel mogelijk direct in rekening gebracht bij de mediaorganisatie. Deze zorgt ervoor dat de medewerker zo min mogelijk zelf kosten vooruit moet betalen.

2.25

Declaraties worden afgehandeld volgens een procedure die schriftelijk is vastgelegd en voor medewerkers kenbaar is.

-Gebruik van voorzieningen

2.26

Het gebruik van door de mediaorganisatie aan medewerkers ter beschikking gestelde apparatuur of voorzieningen, zoals een mobiele telefoon, tablet, laptop, dienstauto (met of zonder chauffeur), abonnement of vergoeding, vindt plaats overeenkomstig een daarvoor door de mediaorganisatie vastgestelde regeling. Een medewerker gaat zorgvuldig om met de aan hem ter beschikking gestelde voorzieningen.

-Reizen

2.27

Een medewerker heeft voorafgaande schriftelijke toestemming van de mediaorganisatie nodig voor het maken van een buitenlandse dienstreis. De mediaorganisatie laat haar medewerkers weten welke functionaris bevoegd is deze toestemming namens de mediaorganisatie te verlenen. Geen voorafgaande toestemming is nodig voor reizen van medewerkers in de uitoefening van hun direct aan programmaproductie gerelateerde functie, zoals bij nieuwsverslaggeving en reisprogramma’s.

2.28

Een medewerker die het voornemen van een reis meldt, geeft daarbij informatie over het doel van de reis, de bijbehorende (beleids)overwegingen, de samenstelling van het gezelschap en de geraamde kosten.

2.29

Meereizen van de partner van een medewerker ten laste van de mediaorganisatie is niet toegestaan, tenzij een specifiek benoembaar belang van de mediaorganisatie in het geding is.

2.30

Het verlengen van een buitenlandse dienstreis voor privédoeleinden is toegestaan. De extra reis- en verblijfkosten komen volledig voor rekening van de medewerker.

2.31

Van de gemaakte reis wordt verslag gedaan aan tenminste de leidinggevende, bij voorkeur schriftelijk.

-Verklaring naleving integriteitsregels

2.32

Elke mediaorganisatie legt jaarlijks aan alle medewerkers een -al dan niet elektronische- in te vullen en te ondertekenen vragenlijst voor met betrekking tot de toepassing van (onderdelen van) deze Governancecode. Tot de gestelde vragen behoren in elk geval vragen over

  • het hebben van financiële belangen en beleggingen in sectorgerelateerde ondernemingen of in bedrijven waarmee de mediaorganisatie een zakelijke verhouding heeft, (zie 2.2);
  • betrokkenheid bij besluitvorming over opdrachtverlening aan bekenden (zie 2.4);
  • het hebben van nevenfuncties (zie 2.6);
  • het aanvaarden van geschenken, uitnodigingen en andere voordelen (zie 2.13);
  • het geven van geschenken, uitnodigingen en andere voordelen (zie 2.17).

Principe 3 – Relatie bestuur en raad van toezicht (Aanbeveling)

Het bestuur en de raad van toezicht zijn, ieder vanuit hun eigen rol, verantwoordelijk voor de governance van de mediaorganisatie en ontwikkelen daarvoor permanent hun deskundigheid en professionaliteit.

3ATaken en verantwoordelijkheden

-Inleiding

Tussen bestuur en intern toezicht van de mediaorganisatie (RvT) moet een helder onderscheid in verantwoordelijkheden bestaan (zie ook artikel 2.142a, eerste lid, van de Mediawet 2008).

Het bestuur en de RvT bepalen de inrichting van de governance van de mediaorganisatie en zorgen dat inrichting en werking conform deze Code zijn. Ze dragen elk, overeenkomstig hun wettelijke en statutaire taken, een verantwoordelijkheid voor het goed functioneren van de governance, conform deze Code.

3.1

Het bestuur en de RvT zorgen dat zij hun functies zorgvuldig en conform de wettelijke en statutaire taak- en bevoegdheidsverdeling vervullen.

3.2

Het bestuur neemt geen taken en verantwoordelijkheden over van de RvT en zorgt ervoor dat de RvT zijn functies kan vervullen. Evenmin neemt de RvT taken en verantwoordelijkheden over van het bestuur. De statuten van een mediaorganisatie kennen een voorziening voor het geval sprake is van discontinuïteit van bestuur.

3.3

Het bestuur en de RvT voeren ten minste eenmaal per jaar, desgewenst onder leiding van een externe deskundige, een gesprek over hun onderlinge samenwerking en leggen het resultaat daarvan schriftelijk vast.

3.4Beperking overstap van bestuur naar eigen RvT

Een voormalig bestuurder van een mediaorganisatie is na het einde van zijn bestuurlijke functie voor een periode van vijf jaren niet benoembaar als lid van de RvT van diezelfde organisatie. Ook kan hij geen toezichthouder worden van de mediaorganisatie of van het samenwerkingsverband waarvan de (voormalige) mediaorganisatie waarvan hij bestuurder was deel uitmaakt door fusie of samenwerking.

3.5Beperking overstap van RvT naar eigen bestuur

Een voormalig lid van de RvT van een mediaorganisatie is pas vijf jaar na het einde van zijn toezichthoudende functie benoembaar als lid van het bestuur van diezelfde organisatie.

3.6Beperking overstap van ander bestuur naar RvT

Een voormalig bestuurder van een (voormalige) mediaorganisatie is pas vijf jaar na het einde van zijn bestuurlijke functie benoembaar als voorzitter of lid van een RvT van een andere mediaorganisatie dan die waarbij hij zijn bestuurlijke functie vervulde.

3BOntwikkeling deskundigheid en professionaliteit

-Inleiding

Aan de deskundigheid en professionaliteit van het bestuur en de RvT worden hoge eisen gesteld. Dat vraagt om permanente ontwikkeling, feedback en reflectie op hun handelen en prestaties en een regelmatige evaluatie.

3.7Ontwikkeling bestuur

Leden van het bestuur afzonderlijk en het bestuur als geheel, reflecteren regelmatig, zelf en met ondersteuning van anderen, op hun eigen functioneren. Bestuurders zorgen dat zij vakbekwaam en geschikt zijn en blijven en kunnen daarbij gebruik maken van bijvoorbeeld interne spiegeling, externe intervisie, coaching, scholing of opleiding. Dit komt aan de orde in het gesprek over het functioneren van het bestuur (zie 3.8) en wordt als onderdeel van dat gesprek schriftelijk vastgelegd.

3.8Evaluatie bestuur door RvT

De RvT voert jaarlijks met elk bestuurslid een gesprek over zijn functioneren en legt dit schriftelijk vast.

De RvT bespreekt tenminste eenmaal per jaar buiten aanwezigheid van leden van het bestuur zowel het functioneren van individuele bestuurders als van het bestuur als geheel, en de conclusies die hieraan moeten worden verbonden en legt deze schriftelijk vast.

Jaarlijks wordt in het verslag van de RvT gemeld of deze gesprekken hebben plaatsgevonden.

3.9Evaluatie raad van toezicht

De RvT bespreekt tenminste eenmaal per jaar buiten aanwezigheid van leden van het bestuur zowel zijn eigen functioneren als dat van de individuele toezichthouders en de conclusies die hieraan moeten worden verbonden en legt dit schriftelijk vast. Ook worden het gewenste profiel en de samenstelling en competenties van de RvT besproken.

Jaarlijks wordt in het verslag van de RvT gemeld of deze gesprekken hebben plaatsgevonden.

3.10Consultatie bestuur door RvT

De RvT stelt zich voorafgaand aan de zelfevaluatie op de hoogte van de visie van de leden van het bestuur op het functioneren van de RvT en informeert het bestuur over de uitkomsten van de zelfevaluatie. Ten minste eenmaal per drie jaar wordt deze evaluatie door een onafhankelijke externe deskundige begeleid.

3.11Ontwikkeling RvT

De RvT werkt permanent aan zijn eigen ontwikkeling als team en aan de ontwikkeling van de afzonderlijke leden. De mediaorganisatie financiert en faciliteert dit voor zover direct gerelateerd aan het functioneren als (lid van de) RvT van de mediaorganisatie.

Jaarlijks wordt hierover in het verslag van de RvT verantwoording afgelegd.

3.12Introductieprogramma

De RvT zorgt voor een adequaat introductieprogramma voor nieuwe RvT-leden en kennisoverdracht van vertrekkende RvT-leden.

3.13Exitgesprekken

De RvT voert exitgesprekken met vertrekkende leden van het bestuur en van de RvT.

Principe 4 – Bestuur (Aanbeveling)

Het bestuur is deskundig en oefent zijn taken en bevoegdheden, met inachtneming van wet- en regelgeving en de statuten, uit in het belang van de mediaorganisatie en de uitvoering van de publieke mediaopdracht.

4.1

Het bestuur functioneert collegiaal en is in ieder geval verantwoordelijk voor:

  1. zorgvuldige besluitvorming wat betreft procedure, proces en inhoud;
  2. het realiseren van de doelstellingen, de strategie en het (financiële) beleid;
  3. het realiseren en borgen van de transparantie, onafhankelijkheid en integriteit van de mediaorganisatie;
  4. het (laten) naleven van alle relevante wetten en regels, waaronder de Mediawet 2008 en deze Code;
  5. het beheersen van de risico’s verbonden aan de ondernemingsactiviteiten en voor de juiste besteding van de middelen van de mediaorganisatie;
  6. de verslaggeving en rapporteert jaarlijks over de prestaties van de mediaorganisatie;
  7. de tijdige en adequate informatievoorziening naar de RvT.

4.2

Taken en bevoegdheden van het bestuur zijn helder vastgelegd in de statuten. Daarin wordt ook vastgelegd voor welke besluiten van het bestuur de voorafgaande goedkeuring of vaststelling door, dan wel instemming van de RvT noodzakelijk is.

Indien de mediaorganisatie een vereniging is, worden in de statuten ook de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van het bestuur ten opzichte van de Algemene (leden)vergadering helder vastgelegd.

4.3

De eigen werkwijze en het verkeer met de RvT, en bij een meerhoofdig bestuur ook de taakverdeling binnen het bestuur, worden beschreven in de statuten of in een reglement.

Het bestuur draagt zorg voor een heldere scheiding van redactionele en zakelijke leiding.
Bij een verdeling van taken behouden alle leden van het bestuur de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de algemene gang van zaken binnen de organisatie.

De voorzitter van het bestuur bepaalt de agenda van de vergaderingen, leidt deze en ziet toe op het goed functioneren van het bestuur.

4.4Benoeming, schorsing en ontslag bestuur

De mediaorganisatie regelt in de statuten de werkwijze en bevoegdheden voor het benoemen, schorsen en ontslaan van het bestuur, tenzij in de wet anders is bepaald.

4.5Profielen

Een goede bemensing van het bestuur wordt bevorderd door het opstellen en hanteren van openbare profielen en een openbare werving. De RvT stelt de profielen vast voor zowel het bestuur als de RvT zelf, tenzij in de wet anders is bepaald.

4.6Competenties

Bij een meerhoofdig bestuur beschikt elk lid over specifieke deskundigheid die noodzakelijk is voor de vervulling van zijn taak, binnen zijn rol zoals beschreven in de profielschets. Het bestuur dient zodanig te zijn bemenst, dat het zijn taken goed kan vervullen.

4.7

Het bestuur draagt er zorg voor dat de RvT zijn toezichthoudende taak optimaal kan uitvoeren. Besluiten van het bestuur, daaraan voorafgaande adviezen en eventueel noodzakelijke goedkeuring of vaststelling door, dan wel instemming van de RvT worden vastgelegd en blijven traceerbaar.

4.8Informatie

Het bestuur verstrekt de RvT tijdig alle informatie die nodig is voor de uitoefening van zijn taak. Hierover kunnen nadere afspraken worden gemaakt in bijvoorbeeld een reglement van de RvT.

4.9

Het bestuur komt zo vaak bijeen als nodig om zijn taken goed te kunnen vervullen. Uitgangspunt daarbij is dat voorzitter en leden van het bestuur alle bijeenkomsten bijwonen. Als een lid van een meervoudig bestuur vaak niet deelneemt aan vergaderingen van het bestuur, wordt hij daarop aangesproken door de overige leden.

4.10

De beloning van leden van het bestuur wordt vastgesteld door het orgaan dat de leden van het bestuur benoemt, met inachtneming van de WNT en overige wettelijke kaders.

De beloning past bij het karakter en de omvang van de mediaorganisatie en is zodanig dat gekwalificeerde bestuurders kunnen worden aangetrokken.

4.11

De mediaorganisatie verstrekt aan bestuurders geen persoonlijke leningen, garanties etc.

Principe 5 – Raad van toezicht (Aanbeveling)

De raad van toezicht is deskundig en onafhankelijk en richt zich bij het vervullen van zijn taken, met inachtneming van wet- en regelgeving en de statuten, naar het belang van de mediaorganisatie en de uitvoering van de publieke mediaopdracht.

5.1

Taken en bevoegdheden van de RvT zijn in ieder geval het:

  1. toezicht houden op het beleid van het bestuur en op de algemene gang van zaken bij de mediaorganisatie, waaronder het toezicht op de naleving van de Governancecode;
  2. adviseren van het bestuur;
  3. benoemen, schorsen en ontslaan van het bestuur, tenzij in de wet anders is bepaald;
  4. goedkeuren van de begroting;
  5. goedkeuren van de strategie en voorgenomen fusies.

Als de mediaorganisatie een vereniging is, kan, indien gewenst, worden bepaald dat de taken genoemd onder c, d en e worden verricht door de Algemene (leden)vergadering (ALV), dan wel door een daaruit voortkomende leden- of verenigingsraad.

5.2

Taken en bevoegdheden van de RvT zijn helder vastgelegd in de statuten. Indien de mediaorganisatie een vereniging is, worden in de statuten ook de bevoegdheden ten opzichte van de Algemene (leden)vergadering helder vastgelegd.

5.3

De taakverdeling binnen de RvT wordt, evenals zijn eigen werkwijze en het verkeer met het bestuur, beschreven in de statuten of in een reglement.

5.4Benoeming, schorsing en ontslag RvT

De mediaorganisatie regelt in de statuten de werkwijze en bevoegdheden voor het benoemen, schorsen en ontslaan van leden van de RvT, tenzij in de wet anders is bepaald.

5.5Profielen

De RvT stelt, met inachtneming van artikel 5.7 en de desbetreffende bepalingen in de Mediawet 2008, een openbaar profiel vast voor de omvang en samenstelling van de RvT, rekening houdend met de aard van de organisatie, haar activiteiten en de gewenste deskundigheid en achtergrond van leden van de RvT. Het profiel wordt in elk geval bij het ontstaan van een vacature geëvalueerd, zo nodig herzien en vervolgens gepubliceerd op de website van de Mediaorganisatie. De leden van de RvT worden op openbare wijze geworven aan de hand van het vooraf vastgestelde profiel.

5.6Competenties

Elk lid van de RvT dient geschikt te zijn om de hoofdlijnen van het totale beleid te kunnen beoordelen. Elke toezichthouder beschikt daarnaast over specifieke deskundigheid die noodzakelijk is voor de vervulling van zijn taak, binnen zijn rol zoals beschreven in de profielschets.

5.7Onafhankelijkheid

De RvT is zo samengesteld dat de leden onafhankelijk en kritisch kunnen opereren ten opzichte van elkaar, van het bestuur en van welk deelbelang dan ook Er is sprake van een zo evenwichtig mogelijke samenstelling wat betreft geslacht, leeftijd, deskundigheid, sociale-, culturele-, bedrijfsmatige- en media-achtergrond van zijn leden.

5.8Zittingsduur

De zittingstermijn voor leden van de RvT is beperkt tot vijf jaar. Bij gebleken geschiktheid is herbenoeming één keer mogelijk, voor een gelijke periode.

5.9

Indien een toezichthouder van een mediaorganisatie (ook) toezichthouder wordt van de fusie- of samenwerkingsomroep waarbij die mediaorganisatie is betrokken, wordt de zittingsduur van die toezichthouder niet op nul gesteld, maar telt de reeds verstreken zittingsduur mee voor het bepalen van de maximale zittingsduur bij de fusie- of samenwerkingsomroep.

5.10

De RvT stelt een rooster van aftreden vast waarmee wordt voorkomen dat veel toezichthouders tegelijk aftreden. Het rooster van aftreden is openbaar.

5.11Informatie

De RvT heeft toegang tot alle informatie vanuit de organen en onderdelen van de mediaorganisatie, die voor de uitoefening van zijn taken noodzakelijk is.

5.12

De RvT komt ten minste vier maal per jaar bijeen.


5.13

Als een lid van de RvT frequent niet deelneemt aan vergaderingen van de RvT, wordt hij daarop door de voorzitter aangesproken. Het jaarverslag van de RvT vermeldt in welke mate de leden aan vergaderingen hebben deelgenomen.

5.14

Een lid van de RvT treedt af bij structurele onverenigbaarheid van belangen of wanneer dit om een andere zwaarwegende reden naar het oordeel van de RvT noodzakelijk is, tenzij in de wet anders is bepaald.

5.15Vergoeding RvT

De vergoeding voor leden van de RvT wordt vastgesteld door het orgaan dat de leden van de RvT benoemt, met inachtneming van de WNT.

5.16

De mediaorganisatie verstrekt aan toezichthouders geen persoonlijke leningen, garanties etc.

5.17

De mediaorganisatie maakt jaarlijks de vergoedingen van toezichthouders openbaar met inachtneming van de WNT en het Handboek Financiële Verantwoording. Daarbij wordt in ieder geval de vergoeding per verslagjaar weergegeven voor de voorzitter, voor een gewoon lid en voor de toezichthouders tezamen.

Principe 6 – Risicobeheersing (Bindend)

Inleiding

Net als organisaties in andere sectoren, hebben publieke mediaorganisaties te maken met (financiële) risico’s. Het bestuur is verantwoordelijk voor een goede risicobeheersing en de RvT houdt daar waarneembaar toezicht op. Daarbij zijn niet alleen ‘harde’ beheersmaatregelen van belang, maar ook maatregelen die gaan over het besef van risico’s en de moraal binnen de organisatie. Hierbij gelden de volgende bepalingen.

6AInterne risicobeheersing

6.1

Het bestuur is verantwoordelijk voor het beheersen van de risico’s verbonden aan de strategie en de activiteiten van de organisatie, het handelen van medewerkers en de maatschappelijke positionering van de organisatie.

6.2

Het bestuur bespreekt met de RvT één keer per jaar de risicoanalyses en de werking van de risicobeheersings- en controlesystemen, alsmede noodzakelijk geachte aanpassingen, mede in het licht van de strategie en van de effecten van die beheersing en controle op regeldruk in de organisatie.

6.3Leiderschap en voorbeeldgedrag

Naast de harde risicobeheersings- en controlesystemen zoals bedoeld in 6.1, besteden bestuur en RvT, elk vanuit hun eigen rol, ook aandacht aan ‘soft controls’: (beheersings) maatregelen die, meer dan ‘hard controls’, ingrijpen op het persoonlijk functioneren van medewerkers. Daarbij gaat het onder meer om: betrouwbaarheid, integriteit, dienstbaarheid, functionaliteit, onafhankelijkheid, transparantie, zorgvuldigheid, maar ook om motivatie, (loopbaan)perspectief en diversiteit. Voorbeeldgedrag door leidinggevenden is hierbij van groot belang (‘tone at the top’). Hoewel minder direct meetbaar, kan daarmee een belangrijke bijdrage worden geleverd aan het beheersen van risico’s. (Zie ook Principe 1: Cultuur.)

6.4

Een mediaorganisatie kan besluiten tot de benoeming van een functionaris die belast wordt met de interne controle van onder meer interne financiële verantwoordingen en de administratieve organisatie (interne auditor). De positie van deze functionaris wordt vastgelegd in een reglement ter waarborging van zijn onafhankelijkheid.

6.5Betaling voor medewerking aan programma’s

Een mediaorganisatie dient te allen tijde haar redactionele onafhankelijkheid te bewaken en te handhaven.

De mediaorganisatie stelt daarom een interne regeling op over de toelaatbaarheid van en de wijze waarop betaling aan gasten, waaronder deskundigen en ‘side kicks’, in onder meer talkshows, mogelijk is.
Gasten kunnen in aanmerking komen voor vergoeding van gemaakte onkosten, op basis van een door de mediaorganisatie goedgekeurde declaratie en onder overlegging van bonnen waaruit de gemaakte onkosten ondubbelzinnig blijken.

Personen die in een journalistiek radio- of tv-(onderzoeks)programma figureren, bijvoorbeeld in een portret of een documentaire, worden niet voor hun verhaal betaald.

Zij kunnen wel in aanmerking komen voor vergoeding van gemaakte onkosten, op basis van een door de mediaorganisatie goedgekeurde declaratie en onder overlegging van bonnen waaruit de gemaakte onkosten ondubbelzinnig blijken.

6BAccountant

6.6

De RvT benoemt de externe accountant en stelt diens vergoeding vast. Het bestuur wordt in staat gesteld daarover aan de RvT advies uit te brengen.

De RvT evalueert periodiek het functioneren van de externe accountant, na daarover advies te hebben gevraagd aan het bestuur.

6.7

De externe accountant, en voor zover aanwezig de auditcommissie, wordt betrokken bij het opstellen van het werkplan van de controle.

6.8

De externe accountant woont het van belang zijnde gedeelte van de vergaderingen van de RvT bij waarin de jaarrekening wordt besproken of waarin wordt besloten over de goedkeuring of vaststelling van de jaarrekening. De externe accountant rapporteert zijn definitieve bevindingen betreffende het onderzoek in het kader van de jaarrekening op hetzelfde moment aan het bestuur als aan de RvT.

6.9

De externe accountant verricht geen advieswerkzaamheden die een risico vormen voor zijn onafhankelijke positie. Indien in het te controleren boekjaar advieswerkzaamheden zijn verricht, wordt hiervan melding gemaakt in het verslag over de jaarrekening.

6.10

De omroeporganisatie wisselt na maximaal vijf jaar van accountant1. Die wisseling betreft de persoon/partner en de overige leden van het team, maar niet per se ook het kantoor waaraan de persoon/partner en de teamleden verbonden zijn. Na maximaal twee maal vijf jaar dient bij de wisseling van accountant zowel de persoon/partner, het team als ook het kantoor gewisseld te worden.

Het selectieproces van de accountant wordt toegelicht in het jaarverslag, alsmede de redenen die aan een wisseling ten grondslag liggen.

In geval van fusie van de omroeporganisatie, gaat de termijn van de externe accountant niet opnieuw in, maar wordt doorgeteld.

1 De enige wettelijke grondslag in Nederland voor een verplichte roulatie van accountantsorganisatie is de (rechtstreeks werkende) EU Verordening Nr. 537/2014. Ingevolge artikel 17 van deze verordening moeten Organisaties van Openbaar Belang (OOB) eens in de tien jaar wisselen van accountantsorganisatie. De mediaorganisaties zijn echter niet aangemerkt als OOB.

Principe 7 – Verantwoording (Bindend)

Het bestuur en de raad van toezicht zijn binnen het kader van wet- en regelgeving, waaronder deze Governancecode, aanspreekbaar op hun functioneren en leggen daarover actief openbare verantwoording af.

Inleiding

Bij het afleggen van verantwoording gaat het niet alleen om het voldoen aan de vereisten van formele verantwoording, maar ook om het tonen van de bereidheid meer in het algemeen helder te zijn over het handelen en de keuzes die daarbij worden gemaakt en daarover aan belanghebbenden openbare verantwoording af te leggen.

7.1

Het bestuur is transparant en legt vanuit de maatschappelijke positie en verantwoordelijkheid van de omroeporganisatie in het openbaar in ieder geval verantwoording af over

  1. de inrichting van bestuur en toezicht;
  2. de strategie en het gevoerde beleid m.b.t. de uitvoering van de publieke mediaopdracht en overige activiteiten;
  3. de besteding van publieke omroepmiddelen;
  4. de manier waarop de mediaorganisatie de Governancecode heeft toegepast, met, waar afwijken is toegelaten, een toelichting op eventuele afwijkingen. De toelichting bevat in ieder geval:
    • de manier waarop is afgeweken;
    • de reden voor afwijking;
    • (indien de afwijking langer dan een verslagjaar duurt) wanneer de bepaling weer wordt nageleefd.

Het bestuur en de raad van toezicht bespreken jaarlijks met de externe accountant de reikwijdte van het Accountantsverslag, de Managementletter en de materialiteitsgrens van de controle, alsmede de belangrijkste risico’s die de externe accountant heeft benoemd in dit verslag en zijn bevindingen naar aanleiding van de door hem uitgevoerde werkzaamheden.

7.2

In het jaarverslag is een bedrijfsvoeringverklaring opgenomen. Deze bevat ten minste een beschrijving van de sturing en beheersing van de bedrijfsprocessen binnen de organisatie om de publieke mediaopdracht en overige activiteiten te kunnen realiseren. Daarbij worden in ieder geval beschreven:

  1. strategische risico’s;
  2. operationele risico’s;
  3. financiële risico’s;
  4. compliancerisico’s;
  5. de interne risicobeheersings- en controlesystemen die de mediaorganisatie n.a.v. de gesignaleerde risico’s, en met inachtneming van Principe 5, heeft vastgesteld en ingezet.
    Hierbij dienen zowel de harde risicobeheersings- en controlesystemen zoals bedoeld in 6.1 aan de orde te komen, als de ‘soft controls’ zoals bedoeld in 6.3.

7.3

Verder beschrijft de mediaorganisatie in het jaarverslag in ieder geval:

  1. de inrichting van de organisatie (organigram);
  2. de samenstelling van het bestuur en de RvT, de zittingsduur van de leden van het bestuur en de RvT, de data van infunctietreding en aftreden (rooster van aftreden);
  3. aard en omvang van langdurige samenwerkingsverbanden met derden buiten het omroepbestel;
  4. de aard en omvang van deelnemingen en overige (financiële) belangen;
  5. de ontwikkeling van het sociaal beleid;
  6. de inspanningen om in alle functielagen een evenwichtige personeelssamenstelling te bevorderen die is gerelateerd aan de Nederlandse bevolkingssamenstelling.

7.4

De RvT is aanspreekbaar op en legt in het jaarverslag verantwoording af over het gehouden toezicht en zijn andere taken, waaronder het adviseren van het bestuur. Daarbij worden ook de verantwoordings- en vermeldingsvereisten betrokken zoals genoemd in 3.8 (evaluatie bestuur door RvT), 3.9 (evaluatie RvT door RvT), 3.11 (ontwikkeling RvT) en 6.2 (interne risicobeheersing, zoals het interne risicomanagement- en controlesysteem).

7.5

Als de mediaorganisatie een vereniging is, leggen het bestuur en de raad van toezicht jaarlijks over de uitvoering van hun taken en bevoegdheden verantwoording af aan de Algemene (leden)vergadering (ALV), dan wel aan een daaruit voortkomende leden- of verenigingsraad, overeenkomstig het bepaalde in Principe 7

Regeling A – Melden vermoedens van misstanden (Bindend)

A.1 Inleiding
A.2 Melden binnen de mediaorganisatie
A.3 Melden aan CIPO
A.4 Melden aan het Huis voor Klokkenluiders
A.5 Rechtsbescherming en schadeloosstelling

A.1Inleiding

A.1.1

Deze regeling bevat de procedure voor het omgaan met een (vermoeden van een) misstand. Voor de toepassing van deze Regeling is dat het vermoeden van een medewerker dat binnen de mediaorganisatie waarin hij werkt of heeft gewerkt, of bij een andere mediaorganisatie indien hij door zijn werkzaamheden met die organisatie in aanraking is gekomen, sprake is van een misstand voor zover:

  1. het vermoeden gebaseerd is op redelijke gronden, die voortvloeien uit de kennis die de medewerker bij zijn werkgever heeft opgedaan of voortvloeien uit de kennis die de medewerker heeft gekregen door zijn werkzaamheden bij een ander bedrijf of een andere organisatie; en
  2. het maatschappelijk belang in het geding is bij de schending van
    een wettelijk voorschrift;
    een gevaar voor de volksgezondheid;
    een gevaar voor de veiligheid van personen;
    een gevaar voor de aantasting van het milieu;
    een gevaar voor het goed functioneren van de openbare dienst of een onderneming als gevolg van een onbehoorlijke wijze van handelen of nalaten.

A.1.2

De regeling draagt bij aan het scheppen van omstandigheden die het melden van mogelijke misstanden soepel moeten laten verlopen. Het goed omgaan met het melden van een vermoeden van een misstand is van belang omdat het onder meer leidt tot het (tijdig) onderkennen en oplossen van een misstand, waardoor mogelijke schade kan worden voorkomen of beperkt; het voorkomen van benadeling en daarmee beschadiging van de melder te goeder trouw en tot het waarborgen van een goed meldklimaat, zodat signalen over een vermoede misstand ook in de toekomst tijdig op de juiste plaats komen. Hierbij gelden de volgende overwegingen:

  1. Overeenkomstig bepaling 2.12, gaat een medewerker zorgvuldig en discreet om met data en overige informatie waarover hij op grond van zijn medewerkerschap beschikt.
    Een medewerker dient zich te onthouden van het openbaren van gedachten of gevoelens indien door de openbaarmaking de goede vervulling van de arbeid van de medewerker of het goede functioneren van de onderneming van de werkgever, voor zover dit in verband staat met de vervulling van de arbeid van de medewerker, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd;
  2. Een medewerker is in beginsel, op grond van het beginsel van goed werknemerschap, verplicht tot geheimhouding van bijzonderheden over de onderneming waarvan hij het vertrouwelijke karakter begrijpt of redelijkerwijs moet begrijpen en waarvan hij kennis draagt door of op basis van bijvoorbeeld de arbeids- of opdrachtovereenkomst;
  3. Een uitzondering kan gelden wanneer de medewerker in redelijkheid kan denken dat het algemeen belang de openbaarmaking van gedachten of gevoelens als hierboven bedoeld, of de bekendmaking van bijzonderheden als hierboven bedoeld, noodzakelijk maakt;
  4. Een medewerker zal niet wegens de openbaarmaking als bedoeld in het vorige lid worden benadeeld in zijn positie in de organisatie. (Zie verder A.5);
  5. Een (vermoeden van een) misstand hoeft niet alleen betrekking te hebben op het functioneren van de mediaorganisatie waar de medewerker werkt of heeft gewerkt, maar kan ook betrekking hebben op het functioneren van de landelijke publieke omroep als geheel.

A.2Melden binnen de mediaorganisatie

A.2.1

Tenzij sprake is van omstandigheden als genoemd in artikel A.3.2, meldt de medewerker een vermoeden van een misstand eerst binnen de mediaorganisatie waar hij werkzaam is of was, bij de vertrouwenspersoon of de leidinggevende of de verantwoordelijke of de hoogst verantwoordelijke.

Al diegenen die bij de behandeling van een melding betrokken zijn, maken de identiteit van de melder (en diens raadsman) niet bekend zonder uitdrukkelijke schriftelijke instemming van de melder en gaan met die informatie over de melding vertrouwelijk om.

A.2.2

Degene aan wie de melding is gedaan legt de melding schriftelijk vast, met vermelding van de datum waarop deze is ontvangen. Hij laat de vastlegging voor akkoord tekenen door de medewerker, die daarvan een gewaarmerkt afschrift ontvangt.

A.2.3

De leidinggevende of de verantwoordelijke aan wie de melding is gedaan brengt de melding zonder uitstel ter kennis van de hoogst verantwoordelijke, die een afschrift van de vastlegging van de melding ontvangt. Indien de melding is gedaan aan de vertrouwenspersoon, brengt de vertrouwenspersoon de melding ter kennis van de hoogst verantwoordelijke, zij het op een met de medewerker overeengekomen wijze en tijdstip.

A.2.4

Naar aanleiding van de melding van een vermoeden van een misstand wordt zonder uitstel een intern onderzoek door de hoogst verantwoordelijke gestart.

A.2.5

De hoogst verantwoordelijke stuurt een ontvangstbevestiging aan de medewerker indien de melding aanvankelijk is gedaan aan de leidinggevende of de verantwoordelijke. Anders stuurt de hoogst verantwoordelijke een ontvangstbevestiging aan de vertrouwenspersoon.

A.2.6

De hoogst verantwoordelijke beoordeelt of CIPO (zie Regeling B), op de hoogte moet worden gebracht van de interne melding van een vermoeden van een misstand, tenzij redelijkerwijs moet worden aangenomen dat sprake is van een vermoeden van een misstand die redelijkerwijs het gemeenschappelijk belang van de landelijke publieke omroepen raakt of zou kunnen raken. In dat geval informeert de vertrouwenspersoon of de hoogst verantwoordelijke zowel CIPO als de raad van bestuur van de NPO. CIPO en de raad van bestuur treden in overleg over de behandeling van de melding.

A.2.7

Binnen een periode van acht weken vanaf het moment van de melding wordt de medewerker namens de hoogst verantwoordelijke schriftelijk op de hoogte gebracht van een inhoudelijk standpunt over het gemelde vermoeden van een misstand. Daarbij wordt aangegeven tot welke eventuele stappen de melding heeft geleid.

A.2.8

Indien het standpunt niet binnen acht weken kan worden gegeven, wordt de medewerker namens de hoogst verantwoordelijke hiervan schriftelijk in kennis gesteld en wordt aangegeven binnen welke termijn hij een standpunt tegemoet kan zien.

A.2.9

De medewerker kan een vermoeden van een misstand melden bij een raadsman om hem in vertrouwen om raad te vragen.

A.2.10

Als het vermoeden van een misstand betrekking heeft op het bestuur, moet waar in deze paragraaf A.2 (Melden binnen de mediaorganisatie) sprake is van de hoogst verantwoordelijke, worden gelezen: de raad van toezicht van de mediaorganisatie.

A.3Melden aan CIPO

A.3.1

De mediaorganisatie waarbij een melding plaatsvindt geldt als primair meldpunt (zie A.2). De in Regeling B bedoelde Commissie ter bevordering van goed bestuur en integriteit publieke omroep (CIPO) is door de raad van bestuur van de NPO aangewezen als secundair meldpunt binnen de landelijke publieke omroep.

A.3.2

De medewerker kan het vermoeden van een misstand bij CIPO melden als:

  1. hij het niet eens is met het standpunt als bedoeld in artikel A.2.7; of
  2. hij geen standpunt heeft ontvangen binnen de vereiste termijn als bedoeld in artikel A.2.7 en A.2.8; of
  3. de termijn als bedoeld in artikel A.2.8, gelet op de omstandigheden, onredelijk lang is en de medewerker hiertegen bezwaar heeft gemaakt bij de hoogst verantwoordelijke;

En ook als er sprake is van:

  1. acuut gevaar waarbij een zwaarwegend en spoedeisend maatschappelijk belang onmiddellijke melding buiten de mediaorganisatie noodzakelijk maakt; of
  2. een situatie waarin de medewerker in redelijkheid kan vrezen voor tegenmaatregelen als gevolg van een interne melding; of
  3. een duidelijke dreiging van verduistering of vernietiging van bewijsmateriaal; of
  4. een eerdere interne melding conform de procedure van in wezen dezelfde misstand, die de misstand niet heeft weggenomen; of
  5. een situatie waarin naar het redelijk oordeel van de medewerker het maatschappelijk belang zwaarder weegt dan het belang van de werkgever bij geheimhouding en CIPO naar zijn redelijk oordeel in staat mag worden geacht direct of indirect de vermoede misstand te kunnen opheffen of doen opheffen.

A.4Melden aan het Huis voor Klokkenluiders

A.4.1

Een medewerker kan een vermoeden van een misstand slechts na melding bij de mediaorganisatie, desgewenst gevolgd door melding bij CIPO, extern melden bij het Huis voor Klokkenluiders. De voorwaarden en procedures van het Huis zijn te vinden op de website huisvoorklokkenluiders.nl.

A.4.2

Naarmate de mogelijkheid van schade voor de werkgever als gevolg van de melding bij CIPO of het Huis voor Klokkenluiders groter wordt, dient het vermoeden van een misstand bij de medewerker die bij CIPO of het Huis voor Klokkenluiders meldt, sterker te zijn.

A.5Rechtsbescherming en schadeloosstelling

A.5.1

De medewerker die met inachtneming van de bepalingen in Regeling A te goeder trouw een vermoeden van een misstand heeft gemeld, wordt op geen enkele wijze in zijn positie benadeeld door die melding.

A.5.2

De bescherming als bedoeld in artikel A.5.1 kan ook, geheel of gedeeltelijk, worden geboden aan de spijtoptant die conform deze regeling melding doet van een vermoeden van een misstand waarbij de spijtoptant zelf betrokken is geweest, voor zover deze misstand nog niet op andere wijze bekend is geworden.

A.5.3

Een raadsman als bedoeld in artikel A.2.9 of een vertrouwenspersoon die in dienst van de werkgever is of werkzaam is voor een opdrachtgever, wordt op geen enkele wijze benadeeld als gevolg van het fungeren als zodanig krachtens Regeling A.

A.5.4

De werkgever en/of opdrachtgever van de medewerker herstelt elke vorm van benadeling als bedoeld in artikel A.5.1 en vergoedt alle schade die daaruit voortgevloeid is, voor zover die schade is ontstaan in het kader van een gerechtvaardigd beroep op deze Regeling A.

A.5.5

De medewerker die met inachtneming van de bepalingen in Regeling A een vermoeden van een misstand heeft gemeld en die in redelijkheid kosten heeft moeten maken die hebben bijgedragen tot de opheffing van die misstand of om benadeling als bedoeld in artikel A.5.1 te voorkomen of ongedaan te maken, wordt door de werkgever en/of opdrachtgever voor die kosten schadeloos gesteld.

Regeling B – Commissie ter bevordering van goed bestuur en Integriteit Publieke Omroep (CIPO, Bindend)

B.1 Inleiding
B.2 Instelling en taken
B.3 Samenstelling en werkwijze
B.4 Wraking en verschoning
B.5 Budget en verantwoording
B.6 Onderzoek algemeen
B.7 Zelfstandig onderzoek
B.8 (Voor)onderzoek n.a.v. een melding

B.1Inleiding

Deze regeling bepaalt de instelling, taken en overige relevante aspecten van de onafhankelijke Commissie ter bevordering van goed bestuur en integriteit publieke omroep (hierna: de Commissie of CIPO). Daarmee geeft de raad van bestuur van de NPO uitvoering aan de wettelijke opdracht om in de gedragscode regels op te nemen over toezicht op en naleving van de code (artikel 2.3, derde lid, aanhef en onder f, Mediawet 2008).

B.2Instelling en taken

B.2.1

Er is een Commissie ter bevordering van goed bestuur en integriteit publieke omroep. De Commissie wordt ingesteld door de raad van bestuur van de NPO. De Commissie oefent haar taken onafhankelijk uit.

De voorzitter en andere leden van de Commissie worden door de raad van bestuur van de NPO benoemd, geschorst en ontslagen. De raad van bestuur evalueert periodiek het functioneren van de Commissie en stelt haar vergoeding vast.

B.2.2

De raad van bestuur voorziet zo spoedig mogelijk in ontstane vacatures. De Commissie kan een voordracht doen ter benoeming van leden.

Het College van Omroepen en de raad van toezicht van de NPO worden door de raad van bestuur van de NPO in de gelegenheid gesteld voorafgaand aan de benoeming van een lid van de Commissie te adviseren.

B.2.3

De Commissie heeft tot taak:

  1. de mediaorganisaties bij te staan bij het creëren van een organisatiecultuur zoals bedoeld in Principe 1, onder meer door het ontwikkelen van activiteiten en bijeenkomsten;
  2. de betrokken landelijke publieke mediaorganisaties gevraagd en ongevraagd te adviseren en zo nodig aanbevelingen te doen over de toepassing, interpretatie en naleving van (de overige onderdelen van) de Gedragscode;
  3. toe te zien op de naleving van de Gedragscode;
  4. te volgen of mediaorganisaties moeite hebben met de toepassing van de Gedragscode en desgewenst de raad van bestuur van de NPO voorstellen te doen voor wijziging of actualisering van de Gedragscode;
  5. een door een betrokkene gemeld vermoeden van een misstand te onderzoeken en daarover de betrokken landelijke publieke mediaorganisaties te adviseren en zo nodig aanbevelingen te doen;
  6. het op eigen initiatief doen van zelfstandig onderzoek naar een kennelijk redelijk vermoeden van een misstand;
  7. het op eigen initiatief doen van zelfstandig onderzoek in het kader van de onder B.2.3 a, b, c en d genoemde taken.

B.3Samenstelling en werkwijze

B.3.1

De Commissie bestaat uit ten minste drie en ten hoogste vier onafhankelijke leden, onder wie de voorzitter.

B.3.2

Geldige besluiten van de Commissie worden genomen met een volstrekte meerderheid (meer dan de helft) van de geldig uitgebrachte stemmen.

B.3.3

De voorzitter en de andere leden worden benoemd voor een periode van vier jaren en zijn voor één gelijke periode herbenoembaar. Zij treden af volgens een door hen opgesteld rooster van aftreden.

B.3.4

Secretariaat
De Commissie wordt ondersteund door een secretaris en secretariaat en in staat gesteld ten behoeve van haar gedachtevorming extern onderzoek te laten verrichten. De raad van bestuur van de NPO benoemt de secretaris na een bindende voordracht van het bestuur van de Commissie. De secretaris treedt in dienst bij de NPO.

De voorzitter van de Commissie bepaalt in overleg met de secretaris zijn arbeidsvoorwaarden. Deze dienen zich te bewegen binnen door de NPO vastgestelde kaders die in overeenstemming zijn met de toepasselijke bepalingen in de CAO voor het Omroeppersoneel.

Op de secretaris en het secretariaat is artikel B.8.10 (vertrouwelijke informatie) van overeenkomstige toepassing.

De secretaris kan niet in dienst zijn bij of op andere wijze werkzaam zijn voor een andere publieke mediaorganisatie.

B.3.5

De voorzitter van de Commissie treedt als leidinggevende op van de secretaris en oefent -zonder enige last- alle werkgeversbevoegdheden uit die voorvloeien uit het arbeidscontract van de secretaris en de toepasselijke bepalingen in de CAO voor het Omroeppersoneel.

B.3.6

De secretaris en het secretariaat als bedoeld in artikel B.3.4 worden op geen enkele wijze benadeeld als gevolg van het fungeren krachtens Regeling B.

B.4Wraking en verschoning

B.4.1

Elk lid van de Commissie kan bij aangetekende brief, gericht aan de secretaris van de Commissie, door een betrokkene worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden die het vormen van een onpartijdig oordeel redelijkerwijs (naar objectieve maatstaven) zou kunnen belemmeren. Het verzoek tot wraking moet de redenen van het verzoek nauwkeurig omschrijven.

Indien wraking plaats vindt in het kader van een onderzoek naar een vermoeden van een misstand als bedoeld in B.2.3 onder e of f, dient het verzoek te worden ingediend uiterlijk binnen twee weken nadat een vermoeden van een misstand zoals bedoeld in Regeling A (Melden vermoedens van misstanden) bij de Commissie is gemeld of het op eigen initiatief doen van zelfstandig onderzoek naar een redelijk vermoeden van een misstand als bedoeld in B.2.3 onder f bij de betrokkene(n) schriftelijk is medegedeeld.

B.4.2

Elk lid van de Commissie kan zich verschonen indien hij van oordeel is dat er feiten of omstandigheden zijn die een onafhankelijke beoordeling in de weg kunnen staan.

B.4.3

De voorzitter of, indien het hem zelf betreft, de vicevoorzitter, beslist zo spoedig mogelijk gemotiveerd en schriftelijk of wraking of verschoning wordt toegestaan. In dat geval wijst de voorzitter, zo mogelijk, een vervangend lid als behandelaar aan.

B.5Budget en verantwoording

B.5.1

De Commissie beschikt over een geëigend budget, afkomstig uit de middelen als bedoeld in artikel 2.149 van de Mediawet 2008. De Commissie stelt jaarlijks voor 1 september een begroting op voor haar activiteiten en dient deze in bij de raad van bestuur van de NPO, die ervoor zorg draagt dat deze onderdeel wordt van de Meerjarenbegroting als bedoeld in artikel 2.147 van de Mediawet 2008.

B.5.2

Jaarlijks voor 1 juni wordt een jaarverslag en een jaarrekening door de Commissie opgesteld. In het jaarverslag wordt, zo nodig geanonimiseerd, en met inachtneming van de ter zake geldende wettelijke bepalingen per mediaorganisatie vermeld:

  1. het aantal onderzoeken dat de Commissie heeft verricht;
  2. het aantal en de aard van de meldingen van een vermoeden van een misstand;
  3. het aantal meldingen dat niet tot een onderzoek heeft geleid;
  4. het aantal en de aard van de adviezen die zij heeft uitgebracht.

B.5.3

Het jaarverslag en de jaarrekening zijn openbaar en worden in ieder geval gestuurd aan de Minister van OCW, de raad van bestuur en de raad van toezicht van de NPO, de besturen van de landelijke publieke media-instellingen en het Commissariaat voor de Media.

B.6Onderzoek algemeen

B.6.1

De Commissie onderscheidt

  1. onderzoek als bedoeld in B.2.3.e (melding vermoeden misstand);
  2. onderzoek als bedoeld in B.2.3.f (zelfstandig onderzoek naar aanleiding van misstanden);
  3. onderzoek als bedoeld in B.2.3.g (zelfstandig onderzoek algemeen).

B.6.2

De Commissie is geen zelfstandig bestuursorgaan en als zodanig niet gehouden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (abbb) c.q. aan de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb).

De Commissie streeft er desalniettemin naar om, waar dat naar haar oordeel redelijkerwijs mogelijk is, rekening te houden met de abbb en de Awb.

B.6.3

De Commissie zal schriftelijk zo tijdig mogelijk verduidelijken of sprake is van een onderzoek als bedoel in B.2.3.e of B.2.3.f of B.2.3.g.

B.7Zelfstandig onderzoek

B.7.1

Bij een onderzoek op eigen initiatief als bedoeld in B.2.3.f of B.2.3.g richt de Commissie haar onderzoek naar eigen goeddunken in, zij het dat de Commissie daarbij

  1. streeft naar een zo groot mogelijke zorgvuldigheid en transparantie;
  2. rekening houdt met het beginsel van hoor en wederhoor;
  3. haar bevindingen zoveel als redelijkerwijs gevergd kan worden zal motiveren.

Daarbij bepaalt de Commissie wat deze uitgangspunten in een concreet geval met zich brengen en op welke wijze en in welke mate rekening dient te worden gehouden met deze uitgangspunten.

B.8(Voor)onderzoek n.a.v. een melding

Indien sprake is van een melding van een vermoeden van een misstand als bedoeld in B.2.3.g, gelden de volgende procedureregels.

B.8.1

De Commissie bevestigt binnen 14 dagen schriftelijk de ontvangst van een melding van een vermoeden van een misstand aan betrokkene die het vermoeden bij haar heeft gemeld en stelt, eveneens binnen 14 dagen na melding, de hoogst verantwoordelijke bij de desbetreffende landelijke publieke mediaorganisatie op de hoogte van de melding.

B.8.2

Voordat de Commissie besluit een onderzoek in te stellen naar het vermoeden van een misstand, bepaalt de Commissie of de melder ontvankelijk is.

B.8.3


De Commissie kan bepalen of zij naar aanleiding van een melding van een vermoeden van een misstand een vooronderzoek doet om een adequaat oordeel te kunnen vellen over de ontvankelijkheid van de melder.

B.8.4

De Commissie verklaart een melder niet ontvankelijk indien:

  1. de melding betrekking heeft op een (vermoeden van een) misstand waarover de Commissie niet adviseert;
  2. betrokkene niet aantoont dat hij het vermoeden eerst intern aan de orde heeft gesteld, tenzij sprake is van een situatie als bedoeld in artikel A.3.2 van Regeling A (Melden vermoedens van misstanden);
  3. betrokkene het vermoeden intern aan de orde heeft gesteld, maar na de interne melding nog niet een redelijke termijn als bepaald in artikel A.2.7 en A.2.8 is verstreken;
  4. een krachtens of bij wet ingesteld toezichthoudend orgaan primair belast is met het toezicht, de naleving of handhaving van het gemelde. In dat geval zal de Commissie betrokkene doorverwijzen naar het desbetreffende toezichthoudende orgaan;
  5. de melding niet tenminste omvat
    • de naam;
    • het adres;
    • de functie;
    • de contactgegevens van de melder.

B.8.5

De Commissie brengt de hoogst verantwoordelijke en betrokkene die een vermoeden van een misstand bij de Commissie heeft gemeld schriftelijk en gemotiveerd (voor zover dit gelet op de omstandigheden van het geval redelijkerwijs van de Commissie kan worden gevergd) op de hoogte of de melder ontvankelijk is.

B.8.6

Indien de Commissie de melder ontvankelijk acht en dit redelijk acht, stelt zij een onderzoek in. De raad van bestuur van de NPO stelt daarvoor budget beschikbaar. De kosten van dit onderzoek zijn uiteindelijk voor de mediaorganisaties die het betreft.

B.8.7

Een redelijke termijn is verstreken indien:

  1. vanaf het moment van de interne melding binnen een periode van acht weken niet een standpunt van de hoogst verantwoordelijke aan betrokkene die een vermoeden van een misstand heeft vermeld, is uitgereikt, tenzij door de hoogst verantwoordelijke aan betrokkene wordt medegedeeld dat hij niet binnen een periode van acht weken een standpunt van de hoogst verantwoordelijke kan verwachten;
  2. door de hoogst verantwoordelijke geen termijn is gesteld, zoals bedoeld in artikel A.2.8 van Regeling A;
  3. de door de hoogst verantwoordelijke gestelde termijn, bedoeld in artikel A.2.8 van Regeling A, is verstreken zonder dat een standpunt van de hoogst verantwoordelijke aan betrokkene is meegedeeld; of
  4. de door de hoogst verantwoordelijke gestelde termijn, bedoeld in artikel A.2.8 van Regeling A, gelet op alle omstandigheden niet redelijk is.

B.8.8

Ten behoeve van het onderzoek naar een vermoeden van een misstand is de Commissie bevoegd bij de hoogst verantwoordelijke alle inlichtingen in te winnen die zij voor de vorming van haar advies nodig acht. De hoogst verantwoordelijke is verplicht aan de Commissie de gevraagde informatie te verschaffen.

B.8.9

De Commissie kan het onderzoek opdragen aan een van de leden.

B.8.10

Wanneer de inhoud van bepaalde door de hoogst verantwoordelijke verstrekte informatie vanwege het vertrouwelijke karakter uitsluitend ter kennisneming van de Commissie dient te blijven, wordt dit aan de Commissie meegedeeld. De Commissie hanteert ten aanzien van deze informatie een beveiligingsniveau dat voldoet aan de normen die voor de betreffende informatie binnen de landelijke publieke omroep wordt gehanteerd.

B.8.11

De Commissie richt haar onderzoek naar eigen goeddunken in. Daarbij zal de Commissie de mediaorganisatie de gelegenheid bieden schriftelijk te reageren op

  1. de melding (al dan niet door de Commissie op zakelijke of verkorte wijze weergegeven of geparafraseerd);
  2. de (voorlopige) bevindingen van de Commissie naar aanleiding van het (voor-) onderzoek bedoeld in B.8.3 of B.8.6.

B.8.12

De Commissie kan de reactie van de mediaorganisaties aan de melder ter beschikking stellen en beide betrokken partijen de gelegenheid geven in een tweede ronde van hoor en wederhoor op elkaars standpunten te reageren, maar is daartoe niet verplicht.

B.8.13

De Commissie legt zo spoedig mogelijk haar voorlopige bevindingen naar aanleiding van de melding neer in een voorgenomen advies met eventuele aanbevelingen, gericht aan de hoogst verantwoordelijke van de mediaorganisatie die het aangaat.

De hoogst verantwoordelijke van de mediaorganisatie die het aangaat, kan binnen twee weken na verzending door de Commissie zijn visie geven over het voorgenomen advies en de eventueel voorgenomen aanbevelingen.

B.8.14

De Commissie zal na

  1. vaststelling van de ontvankelijkheid van de melder;
  2. haar (voor)onderzoek;
  3. de eventuele reactie van de mediaorganisatie als bedoeld in B.8.11;
  4. de eventuele tweede ronde als bedoeld in B.8.12,

haar definitieve advies in schriftelijke vorm geven aan de hoogst verantwoordelijke van de mediaorganisatie en de melder schriftelijk op de hoogte brengen van (de kern van) het definitieve advies, met inachtneming van het eventueel vertrouwelijke karakter van aan de Commissie verstrekte informatie en de geldende wettelijke bepalingen.

B.8.15

Het advies wordt geanonimiseerd en met inachtneming van het eventueel vertrouwelijke karakter van aan de Commissie verstrekte informatie en de ter zake geldende wettelijke bepalingen openbaar gemaakt op een wijze die de Commissie geëigend acht, tenzij zwaarwegende belangen zich daartegen verzetten. Kosten van openbaarmaking komen ten laste van de mediaorganisatie die het aangaat.

B.8.16

Naar aanleiding van het advies brengt de hoogst verantwoordelijke zowel de Commissie als de betrokkene die een vermoeden van een misstand bij de Commissie heeft gemeld op de hoogte of het advies al dan niet wordt opgevolgd. Niet opvolgen van het advies of de aanbevelingen door de mediaorganisatie die het betreft, wordt door de hoogst verantwoordelijke uitgebreid gemotiveerd. De Commissie kan haar visie geven indien een advies of aanbeveling niet wordt opgevolgd.

B.8.17

Als het vermoeden van een misstand betrekking heeft op het bestuur, moet waar in deze paragraaf B.8 ((Voor)onderzoek n.a.v. een melding) sprake is van de hoogst verantwoordelijke, worden gelezen: de raad van toezicht van de mediaorganisatie.

Regeling C – Beloningskader Presentatoren Publieke Omroep (BPPO, Bindend)

Het Beloningskader Presentatoren in de Publieke Omroep (BPPO) bevat de regeling voor die presentatoren, programmamakers, dj’s en vergelijkbare functies binnen de publieke omroep waarvan duidelijk is dat hun honorering in hoge mate wordt bepaald door marktwerking.

Het BPPO maakt deel uit van deze door de raad van bestuur van de NPO op grond van artikel 2.3, tweede lid, juncto artikel 2.10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Mediawet 2008 vastgestelde Gedragscode. Het BPPO wordt echter separaat vastgesteld en gepubliceerd.

Periodiek toetst CIPO marginaal of de RvB van de NPO aan het Beloningskader een juiste toepassing heeft gegeven.

Beloningskader presentatoren in de publieke omroep 2017

Begrippenlijst

Definities van of uitleg bij begrippen uit deze Governancecode.

Belangenverstrengeling (Principe 2)

Vermenging van het belang van de uit publieke middelen gefinancierde mediaorganisatie met het persoonlijk of zakelijke belang van (een) medewerker(s) of van derden. Dit kan het objectief beslissen of handelen in het belang van de mediaorganisatie schaden en in het uiterste geval leiden tot het bevoordelen van bepaalde personen of bedrijven. Naast belangenconflicten kunnen zich ook conflicten van plichten voordoen (‘dubbele pet’).

Belangrijke journalistieke functionarissen (Principe 2)

In ieder geval hoofdredacteuren en overige gezichtsbepalende presentatoren (‘anchors’).

Bestuur (Principe 1 t/m 7)

Het orgaan van een mediaorganisatie dat belast is met het besturen van de organisatie en in dat kader onder meer verantwoordelijk is voor de realisatie van de doelstellingen, de strategie en het gevoerde beleid, ook m.b.t. de toepassing van de Governancecode.
Het bestuur kan verschillende vormen hebben, waaronder een Raad van Bestuur of een (statutaire) directie. Op 01-01-18 hanteren alle landelijke publieke media-instellingen en de NPO het RvT-model.

Betrokkene (Regeling A)

Degene die, al dan niet in dienst, werkzaam is ten behoeve van een landelijke publieke mediaorganisatie.

Betrouwbaarheid (Principe 2, 6)

Op een medewerker moet men kunnen rekenen. Hij houdt zich aan zijn afspraken. Kennis en informatie waarover hij op grond van zijn functie beschikt wendt hij aan voor het doel waarvoor die zijn gegeven.

Code

Zie Governancecode

Collegiaal bestuur (Principe 4)

Bestuursvorm waarbij alle leden van het bestuur even belangrijk zijn en de voorzitter de eerste onder zijn gelijken is (Latijn: ‘primus inter pares’).

Commissie

De Commissie ter bevordering van goed bestuur en integriteit publieke omroep, beter bekend als Commissie Integriteit Publieke Omroep (‘CIPO’).

Dienstbaarheid (Principe 2, 6)

Het handelen van een medewerker is altijd en volledig gericht op het belang van de media-instelling, rekening houdend met het gemeenschappelijk belang van het bestel van publieke media-instellingen.

Financiële belangen en beleggingen (Principe 2)

Van een financieel belang of belegging is sprake bij het hebben van aandelen in een onderneming, van recht op bijzondere tantième- of winstrechten, dan wel van een bepaalde vorm van zeggenschap.

Niet in alle gevallen is aan medewerkers op voorhand duidelijk welke ondernemingen moeten worden aangemerkt als sectorgerelateerd of met welke bedrijven de mediaorganisatie een zakelijke verhouding heeft. Uitgangspunt is dat medewerkers in redelijkheid hun verantwoordelijkheid nemen en zo goed mogelijk handelen, ook naar de geest van de code. Dat betekent dat zij in ieder geval evidente sectorgerelateerde belangen en beleggingen melden (voorbeeld: in productiebedrijven) en bij twijfel contact opnemen met de compliance officer.

Wat betreft door derden beheerde beleggingsportefeuilles, mag van medewerkers worden verlangd dat zij zich in redelijkheid informeren over de samenstelling van de fondsen van deze derden.

Functionaliteit (Principe 2, 6)

Het handelen van een medewerker heeft een herkenbaar verband met de functie die hij vervult binnen het publieke omroepbestel.

Gedragscode

Zie Governancecode

Governancecode

De Governancecode Publieke Omroep, zoals vastgesteld door de Raad van Bestuur van de NPO op grond van artikel 2.3, tweede lid, van de Mediawet 2008.

Hoogst verantwoordelijke (Regeling A, B)

Degene die alleen of samen met anderen rechtstreeks de hoogste zeggenschap heeft bij een mediaorganisatie (de operationele leiding; het bestuur). Indien het vermoeden van een misstand betrekking heeft op het bestuur, moet waar in A.2 (Melden binnen de mediaorganisatie) en in B.8 ((Voor)onderzoek n.a.v. een melding) sprake is van de hoogst verantwoordelijke, worden gelezen: de raad van toezicht van de mediaorganisatie.

Jaarverslag (Principe 5, 6, 7 en Regeling B)

Jaarlijks verslag van de uitvoering van taken en bevoegdheden van het bestuur (bestuursverslag) en die van de raad van toezicht, inclusief de jaarrekening.

Leidinggevende (Principe 2, 6 en Regeling A, B)

Degene die direct leiding geeft aan de medewerker.

Medewerkers (Principe 2, 6)

Diegenen die op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam zijn bij een mediaorganisatie, de voorzitter en de leden van het bestuur (ook directeuren) en de voorzitter en de leden van de RvT.

De mediaorganisaties nemen in overeenkomsten met opdrachtnemers een bepaling op waardoor opdrachtnemers zich conformeren aan de uitgangspunten van de Gedragscode.

Mediaorganisatie

Een organisatie waarop de Gedragscode zoals bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, van de Mediawet 2008, van toepassing is. Dat zijn alle landelijke publieke media-instellingen en de stichting NPO.

Misstand (Regeling A)

Zie: Vermoeden van een misstand

Onafhankelijkheid (Principe 1, 2, 4, 5, 6)

Het handelen van een medewerker wordt niet beïnvloed door oneigenlijke belangen en zelfs de schijn daarvan wordt vermeden.

Openheid (Principe 2)

Het handelen van een medewerker is transparant zodat hij te allen tijde verantwoording kan afleggen over zijn handelen.

Q.q.-nevenfunctie (Principe 2)

Nevenfunctie die een medewerker verricht omdat deze hoort bij zijn hoofdfunctie. Q.q. is de afkorting van het Latijnse ‘qualitate qua’: ‘in de hoedanigheid van’ of ‘ambtshalve’.

Raadsman (Regeling A)

Iedere persoon die het vertrouwen van de medewerker geniet en op wie een geheimhoudingsplicht rust of die schriftelijk aan de organisatie verklaart een geheimhoudingsplicht te accepteren.

Raad van toezicht (RvT)

Het orgaan van een mediaorganisatie dat in ieder geval belast is met het toezicht op het beleid van het bestuur en op de algemene gang van zaken bij de mediaorganisatie en met het adviseren van het bestuur.

Schriftelijke toestemming (Principe 2)

Onder schriftelijke toestemming wordt ook verstaan de toestemming die op elektronische wijze tot stand is gekomen, bijvoorbeeld via e-mail of in een daartoe ingericht elektronisch systeem.

Spijtoptant (Regeling A)

Iemand die spijt heeft van zijn betrokkenheid bij een misstand en die in ruil voor (gedeeltelijke) rechtsbescherming samenwerkt met de mediaorganisatie of CIPO.

Topfunctionaris (Principe 2)

Voor het begrip Topfunctionaris wordt aangesloten bij de definitie zoals opgenomen in de WNT:

Functionarissen die behoren tot de groep van hoogste leidinggevenden binnen een rechtspersoon of instelling, die leidinggeven aan de gehele rechtspersoon of instelling. Als topfunctionaris wordt aangemerkt degene die:

  • behoort tot de hoogste uitvoerende en toezichthoudende organen van een rechtspersoon of instelling (die aan het hoofd staan van de gehele rechtspersoon of instelling);
  • hoogste ondergeschikte is of behoort tot de leden van de groep hoogste ondergeschikten aan de hiervoor bedoelde organen én in deze rol (gezamenlijk) verantwoordelijk is voor de gehele rechtspersoon of de gehele instelling;
  • belast is met de dagelijkse leiding van de gehele rechtspersoon of de gehele instelling.

Afhankelijk van het organogram, zullen bij de ene instelling of rechtspersoon de leden van slechts één managementlaag als topfunctionarissen aangemerkt worden, terwijl bij een andere instelling of rechtspersoon de leden van meerdere managementlagen als topfunctionarissen aangemerkt worden. Per instelling of rechtspersoon zal bezien moeten worden welke functionarissen als topfunctionaris aangemerkt moeten worden.
Bij sommige instellingen worden zowel het bestuur als de leden van het directieteam, respectievelijk de directeur van de instelling als topfunctionaris aangemerkt. Indien er een raad van toezicht of raad van commissarissen is, zullen ook de leden van dit orgaan als topfunctionaris worden aangemerkt.

Verantwoordelijke (Regeling A)

Leidinggevende die direct of indirect zeggenschap heeft over het onderdeel van de mediaorganisatie waar de medewerker werkzaam is of was, of waarop het vermoeden van een misstand betrekking heeft.

Vermoeden van een misstand (Regeling A)

Het vermoeden van een medewerker dat binnen de mediaorganisatie waarin hij werkt of heeft gewerkt, of bij een andere mediaorganisatie indien hij door zijn werkzaamheden met die organisatie in aanraking is gekomen, sprake is van een misstand voor zover:

  1. het vermoeden gebaseerd is op redelijke gronden, die voortvloeien uit de kennis die de medewerker bij zijn werkgever heeft opgedaan of voortvloeien uit de kennis die de medewerker heeft gekregen door zijn werkzaamheden bij een ander bedrijf of een andere organisatie, en
  2. het maatschappelijk belang in het geding is bij de schending van een
  • wettelijk voorschrift;
  • gevaar voor de volksgezondheid;
  • gevaar voor de veiligheid van personen;
  • gevaar voor de aantasting van het milieu;
  • gevaar voor het goed functioneren van de openbare dienst of een onderneming als gevolg van een onbehoorlijke wijze van handelen of nalaten.

Vertrouwenspersoon (Regeling A)

Degene die door de hoogst verantwoordelijke is aangewezen om als zodanig voor de organisatie van de werkgever te fungeren, of is aangewezen door de raad van bestuur om voor de landelijke publieke omroep als geheel als zodanig te fungeren.

Werkgever

Degene die op basis van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht of publiekrechtelijke aanstelling arbeid laat verrichten of heeft laten verrichten dan wel degene die anders dan uit dienstbetrekking arbeid laat verrichten of heeft laten verrichten.

Werknemer (Regeling A, B)

Degene die op basis van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht of publiekrechtelijke aanstelling arbeid verricht of heeft verricht dan wel degene die anders dan uit dienstbetrekking arbeid verricht of heeft verricht.

Zorgvuldigheid (Principe 2, 6 en Regeling B)

Een medewerker behandelt externe betrokkenen met respect en weegt de belangen van partijen op correcte wijze af.