Principe 6 – Risicobeheersing (Bindend)

Inleiding

Net als organisaties in andere sectoren, hebben publieke mediaorganisaties te maken met (financiële) risico’s. Het bestuur is verantwoordelijk voor een goede risicobeheersing en de RvT houdt daar waarneembaar toezicht op. Daarbij zijn niet alleen ‘harde’ beheersmaatregelen van belang, maar ook maatregelen die gaan over het besef van risico’s en de moraal binnen de organisatie. Hierbij gelden de volgende bepalingen.

6A Interne risicobeheersing

6.1

Het bestuur is verantwoordelijk voor het beheersen van de risico’s verbonden aan de strategie en de activiteiten van de organisatie, het handelen van medewerkers en de maatschappelijke positionering van de organisatie.

6.2

Het bestuur bespreekt met de RvT één keer per jaar de risicoanalyses en de werking van de risicobeheersings- en controlesystemen, alsmede noodzakelijk geachte aanpassingen, mede in het licht van de strategie en van de effecten van die beheersing en controle op regeldruk in de organisatie.

6.3 Leiderschap en voorbeeldgedrag

Naast de harde risicobeheersings- en controlesystemen zoals bedoeld in 6.1, besteden bestuur en RvT, elk vanuit hun eigen rol, ook aandacht aan ‘soft controls’: (beheersings) maatregelen die, meer dan ‘hard controls’, ingrijpen op het persoonlijk functioneren van medewerkers. Daarbij gaat het onder meer om: betrouwbaarheid, integriteit, dienstbaarheid, functionaliteit, onafhankelijkheid, transparantie, zorgvuldigheid, maar ook om motivatie, (loopbaan)perspectief en diversiteit. Voorbeeldgedrag door leidinggevenden is hierbij van groot belang (‘tone at the top’). Hoewel minder direct meetbaar, kan daarmee een belangrijke bijdrage worden geleverd aan het beheersen van risico’s. (Zie ook Principe 1: Cultuur.)

6.4

Een mediaorganisatie kan besluiten tot de benoeming van een functionaris die belast wordt met de interne controle van onder meer interne financiële verantwoordingen en de administratieve organisatie (interne auditor). De positie van deze functionaris wordt vastgelegd in een reglement ter waarborging van zijn onafhankelijkheid.

6.5 Betaling voor medewerking aan programma’s

Een mediaorganisatie dient te allen tijde haar redactionele onafhankelijkheid te bewaken en te handhaven.

De mediaorganisatie stelt daarom een interne regeling op over de toelaatbaarheid van en de wijze waarop betaling aan gasten, waaronder deskundigen en ‘side kicks’, in onder meer talkshows, mogelijk is.
Gasten kunnen in aanmerking komen voor vergoeding van gemaakte onkosten, op basis van een door de mediaorganisatie goedgekeurde declaratie en onder overlegging van bonnen waaruit de gemaakte onkosten ondubbelzinnig blijken.

Personen die in een journalistiek radio- of tv-(onderzoeks)programma figureren, bijvoorbeeld in een portret of een documentaire, worden niet voor hun verhaal betaald.

Zij kunnen wel in aanmerking komen voor vergoeding van gemaakte onkosten, op basis van een door de mediaorganisatie goedgekeurde declaratie en onder overlegging van bonnen waaruit de gemaakte onkosten ondubbelzinnig blijken.

6B Accountant

6.6

De RvT benoemt de externe accountant en stelt diens vergoeding vast. Het bestuur wordt in staat gesteld daarover aan de RvT advies uit te brengen.

De RvT evalueert periodiek het functioneren van de externe accountant, na daarover advies te hebben gevraagd aan het bestuur.

6.7

De externe accountant, en voor zover aanwezig de auditcommissie, wordt betrokken bij het opstellen van het werkplan van de controle.

6.8

De externe accountant woont het van belang zijnde gedeelte van de vergaderingen van de RvT bij waarin de jaarrekening wordt besproken of waarin wordt besloten over de goedkeuring of vaststelling van de jaarrekening. De externe accountant rapporteert zijn definitieve bevindingen betreffende het onderzoek in het kader van de jaarrekening op hetzelfde moment aan het bestuur als aan de RvT.

6.9

De externe accountant verricht geen advieswerkzaamheden die een risico vormen voor zijn onafhankelijke positie. Indien in het te controleren boekjaar advieswerkzaamheden zijn verricht, wordt hiervan melding gemaakt in het verslag over de jaarrekening.

6.10

De omroeporganisatie wisselt na maximaal vijf jaar van accountant1. Die wisseling betreft de persoon/partner en de overige leden van het team, maar niet per se ook het kantoor waaraan de persoon/partner en de teamleden verbonden zijn. Na maximaal twee maal vijf jaar dient bij de wisseling van accountant zowel de persoon/partner, het team als ook het kantoor gewisseld te worden.

Het selectieproces van de accountant wordt toegelicht in het jaarverslag, alsmede de redenen die aan een wisseling ten grondslag liggen.

In geval van fusie van de omroeporganisatie, gaat de termijn van de externe accountant niet opnieuw in, maar wordt doorgeteld.

1 De enige wettelijke grondslag in Nederland voor een verplichte roulatie van accountantsorganisatie is de (rechtstreeks werkende) EU Verordening Nr. 537/2014. Ingevolge artikel 17 van deze verordening moeten Organisaties van Openbaar Belang (OOB) eens in de tien jaar wisselen van accountantsorganisatie. De mediaorganisaties zijn echter niet aangemerkt als OOB.